Neuken in het magazijn meisje voor karweitje

neuken in het magazijn meisje voor karweitje

Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber. Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg? Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen.

Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om.

Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond.

Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden. Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn.

Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon. En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet. Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen.

Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij! Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën.

Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland. In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden.

De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht.

In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten.

In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige.

De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen. Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet. Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden.

Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal. In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag. Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen.

Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen. Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. Lijken die kinderen je niet leuk?

Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer. Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld. Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen.

Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt. Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars.

Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg. Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding.

Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig. Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon.

Vermoord maar niet vergeten. In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken. Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op.

Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven.

Dat ze nog steeds niet heeft gelezen. Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen. Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk. Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken.

Geen groen zo groen als jong kastanjegroen. Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post. Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig! Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus. Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad.

Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven. Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht.

Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet. En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is?

En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds. Het is heel raadselachtig allemaal.

Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin. Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis.

De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond.

Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger. Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen.

Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden. De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij.

Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen.

Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder. Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben? In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei.

Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang. Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen.

Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten. Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd.

Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed. Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte. Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten.

In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon.

Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt. De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat.

Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren. Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten? Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat.

Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad. Er waren meer van dat soort plekken in de stad. In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing.

Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen. Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage. Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging. En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht. Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien.

Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had. Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken. In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B.

Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin.

En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet. Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden.

We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet. Een uurtje later gingen we er op uit. Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk. Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets.

Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht. Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk.

De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje. Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen. O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen.

Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. We waren even naar Parijs. Om bij de Hallen de geur van uiensoep op te snuiven natuurlijk en in de ­Moulin Rouge de beentjes van de vloer te zien gaan, maar vooral toch om in de galerie in de rue de la Mare de kattenschilderijtjes te bekijken, en op de vide grenier in de rue des Pyrenées de Dinky Toy Concorde te kopen, waarvan zelfs de bewegende neus nog bewoog.

Na een wandeling langs het ­canal Saint Martin en door de rue du Faubourg du Temple die door mij als de mooiste straat van de stad wordt gezien, pikten we in de rue de Tourtille nog de reclame mee van een écrivan public plus een stralende muurschildering waarop Kuifje en Bobbie onder water in de als haai vermomde ­onderzeeër uit de Schat van Scharlaken Rackham zitten.

Op de wandschildering luidde de titel van het album Nana et le trésor de Morad le Rouge. Aan het einde van de middag staken we de vermoeide voeten onder het terrastafeltje van een klein buurtrestaurant. We hadden net besteld toen de bazin een meisje kwam brengen.

Waarop het meisje in het Engels zei dat ze honger had en ergens iets wilde eten. Wat door mij werd uitgelegd als een verzoek om geld, maar dat was niet zo. Nadat ik haar uitgelegd dat ze bijvoorbeeld hier in dit restaurant kon eten, knikte ze tevreden en vervolgde haar weg. Toen onze rekening onderweg was, maakten we een schatting. Op weg naar mijn ­afspraak bij Sandwichshop Sal Meijer zag ik dat ze aan de Parnassusweg bezig waren het Paleis van Justitie te slopen.

Grote delen van het gebouw lagen al in puin, dat werd nat gehouden door mannen met brandslangen, terwijl er door kwaadaardig ogende machines stevig op in werd gehakt. Een enorme kraan ging een van de nog staande torens te lijf en stroopte het beton van het ijzeren skelet.

Het was een overweldigend schouwspel en even voelde ik de neiging om me aan te sluiten bij het groepje mannen dat je bij een schouwspel als dit pleegt aan te treffen. We kregen het over de avondwinkel die lang geleden aan de Stadionweg zat, bij het eindpunt van lijn Hij was een jaar of twaalf en het was Luilak toen hij met een paar vriendjes langs het eindpunt van de 24 was gekomen. De bestuurders en de conducteurs zaten allemaal in hun huisje en de tram had er zo leeg bij gestaan, dat ze de verleiding niet konden weerstaan en ingestapt waren en de tram vervolgens op de een of andere ­manier aan het rijden hadden gekregen.

Zes straatjongens in een lege tram die over de Stadionweg rijdt, de opwinding was zoveel jaar na dato nog voelbaar. Op de hoek van de Beethovenstraat hadden ze de tram stilgezet en waren er vandoor gegaan. Net op tijd om uit de handen van de politie te blijven. Ik ben, goddank, Amsterdammer. Hetgeen het des te erger maakt als je niet weet waar een bepaalde straat zich bevindt, en nog erger, als je niet weet hoe je er komen moet.

Ik wilde naar Rozenoord, aan het ­Ittmanpad. Ik wilde via de kortste weg en die ging achter de RAI langs, maar hoe kon ik uit de plattegrond niet opmaken, kaarttechnisch is het chaos achter de RAI. De werkelijkheid bleek voor een keer een stuk eenvoudiger. Toen ik het Beatrixpark uitkwam, zag ik een viaductje, en toen ik er onderdoor ging, was er een pad waarvan ik vrijwel zeker wist dat het naar de Amstel voerde. Aan de overkant van de sloot die met het pad meeliep, stond het beeld van een man die zijn eigen stoel was en aan een tafeltje zat.

Het beeld stond op Zorgvlied, ­vertelden de grafstenen die even later opdoemden. Ik had de ­Amstel al in zicht toen ik achter een bosschage een vlaggenmast zag staan. Rozenoord, een rond pleintje bestraat met kinderhoofdjes die uitwaaieren vanuit het middelpunt.

Tot eind schoten de Duitse bezetters hun gijzelaars bij voorkeur dood op plaatsen waar iedereen het zien kon en werden ­mensen vaak gedwongen toe te kijken. Maar in het nieuwe jaar verkozen ze hun moordenaarswerk uit het zicht te verrichten. In de laatste maanden van de bezetting werden op deze stille plek aan de Amstel tussen de en mensen doodgeschoten.

Na de bevrijding keerden de moordenaars terug naar Duitsland. Er werd hun geen strobreed in de weg gelegd, zoals ook de mannen die op 7 mei vanuit de Groote Club een slachting aanrichtten op de Dam een paar ­weken later weer lekker thuis ­zaten. Ik reed de Haarlemmerstraat uit, keek nog een keer naar Silver Screen, de enige winkel in de stad waar je als filmfan nog terecht kon en stak het Haarlemmerplein over. Ik groette Domela en hij zwaaide ­terug. Ik dacht aan de palingkar die hier vroeger stond en in de schemer een carbidlantaarn voerde.

Eenmaal op het fietspad langs de Haarlemmervaart voelde het alsof ik de stad uitreed, wat zoals ik wist niet ging gebeuren. Langs de vaart stonden lang geleden de gebouwen van de Boldoot waar mijn ­vader een blauwe maandag heeft gewerkt en van Drukkerij Van Munster, waar mijn kleine, kale grootvader de scepter zwaaide over de zetterij.

Als kind ben ik wel eens wezen kijken. Het rook er naar inkt en lood, papier en smeerolie en de machines veroorzaakten een aangenaam gedreun. Over de gietijzeren ophaalbrug reed ik het terrein op van de Westergasfabriek.

Daar, evenwijdig aan het spoor, staan een stuk of dertig bomen die elk voorjaar heel even hun witroze-witte bloesem laten zien. De bomen zien eruit als evenzovele voorjaarsballonnen, gereed om op te stijgen. Er waren jongens aan het skaten, er werd gebarbecued, geflirt, gelachen. Een man in zijn eentje maakte van die van de Chinezen afgekeken gebaren, waarbij de gebarenmakers altijd heel zen kijken en toen stak er een klein koeltje op dat de bomen sterren sneeuwen liet.

Als de bloemen vallen binnenkort, leg ik ze op de schaal die op de tafel in de kamer staat, maar dat is binnenkort. Veel mensen hebben een dag in hun leven waarvan ze meer weten dan van de andere dagen uit hun leven. Meestal heeft dit te maken met de liefde. Denk aan 16 juni , een donderdag en de dag waarop Ulysses zich afspeelt omdat James Joyce op die dag zijn Nora Barnacle ontmoette.

Mijn Bloomsday viel op vrijdag 26 maart Het was zwaar ­bewolkt die dag, er stond een ­matige westenwind en het was 9 graden. In het Rembrandtplein Theater draaide De tanden van Dracula. Ik liep door de stad en deed of het lente was. Op het terras kwam ik een oude vriend tegen die ik jaren niet ­gezien had, zodat ik iets later naar huis terugkeerde dan ik van plan was geweest. Weer iets later verliet ik het huis met een knallende deur en de mededeling dat ik nooit meer terugkwam.

In café de Pieter in de Pieterspoortsteeg kwam tegen tienen het geluk binnenlopen. Na een lange nacht bleken de meidoorns rood en wit in bloei te staan en keerde zij van een boodschap terug met een fles whisky die 46 jaar later zijn identiteit terugkreeg, Famous Grouse.

Om de laatste vrijdag van maart te vieren. Jonge vrouwen op de fiets, Amsterdamser kan het haast niet. De haren ­wapperend in de wind, de handen aan het stuur, de voeten op de pedalen, de benen in rappe beweging. Ze vliegen door het verkeer als waren zij de Vliegende Hollander. En ­iedere liefhebber die het schouwspel in de gaten houdt, weet dat zijn ogenblik gaat komen. Ha, daar heb je het, de wind is onder haar rokken gekomen en ogenblikkelijk gaat de linkerhand van het stuur om de rok zijn plaats te wijzen en de benen te bedekken, zoals het hoort.

Bij bepaalde soorten tegenwind lieten de meisjes de rokken zelfs niet los, want hoe vrijgevochten ze ook waren, hoe kort de rokken ook die ze door de straten flanerend droegen, op de fiets je benen laten zien, dat was er mooi niet bij. Toen kwam de mobiele telefoon. Plotseling bleken de meisjes hun telefoon belangrijker te vinden dan hun benen en in plaats van met hun linkerhand hun rokken op hun plaats te houden, sturen ze nu met links, terwijl ze met rechts hun telefoon vasthouden, om op te kijken, om te swipen, om iets te tikken, of om tegen hun oor­ ­gedrukt te houden en oeverloze gesprekken te voeren.

En zo rijden ze al dan niet over de stoep en al dan niet met een peuter achterop of een hele bakfiets vol, met wapperende haren en opwaaiende jurken in razende vaart door de stad.

Iemand zei dat de Utrechtsestraat de mooiste winkelstraat van de stad is. Daar valt iets voor te zeggen, ­hoewel de Haarlemmerdijk wat mij betreft ook hoge ogen gooit. Opmerkelijk is dat beide straten lange tijd niet meer te redden ­leken. In het begin van de jaren­ ­zeventig heb ik een tijdje in een ­erker gewoond op de hoek van Utrechtsestraat en Prinsengracht.

De Utrechtsestraat was toen ­ernstig in verval. Overal in de straat stonden op instorten staande huizen in de stutten en de ­middenstand klaagde steen en been.

De haringkar op de brug hield dapper stand, net als Oosterling en Krom, maar verder was het kommer en kwel. In de schemer kwamen ze tevoorschijn, de verslaafde jonge mannen en vrouwen, de travestieten die in de Utrechtsestraat en op het Amstelveld de hoer speelden.

Als ik het zijraam van de erker openzette, kon ik ze horen ­ruzieën, want ze stonden elkaar allemaal naar het leven. Om iedere klant werd gevochten en de drugshandel die aan de prostitutie vooraf ging en er op volgde, ­verliep ook niet zonder problemen. Ik was ervan overtuigd dat het slecht zou aflopen, dat de verkrotting door zou zetten en dat de hele bliksemse boel tenslotte gesloopt zou worden.

Maar als een dood gewaande boom kwam de straat weer tot ­leven en werd tot wat hij nu is, een van de mooiste winkelstraten van de stad. Ze heeft er dan vier niet bijster vrolijke maanden opzitten in Coventry en Bath, waar ze als kindermeisje werd gebruikt terwijl haar Franse en Engelse conversatie en het ­spelen van quatre-mains in het vooruitzicht waren gesteld.

Maar eenmaal terug in het ­vaderland heeft ze er weer zin in. In Lief dagboek, beste kameraad, haar onlangs gepubliceerde dagboek uit die dagen, vertelt ze hoe ze op het station de Engelse dame uithangt.

De man is meteen in alle ­staten. Ik heb maar met haar gesproken jong. Voor mij was dat een reden om zo snel mogelijk lezen te leren, dan had in mijn moeder bij Joop ter Heul niet meer nodig. De stad kent vele fraaie kruispunten, denk aan de kruising van Admiraal de Ruyter en Bos en Lommer, van Ceintuurbaan en Van Wou, van Rijnstraat en Vrijheidslaan, prachtige kruispunten allemaal, maar het mooiste kruispunt is toch de Krommerdt, en dat terwijl de Krommerdt helemaal geen kruispunt is.

De voortreffelijke Witte de With ligt net verkeerd om de Krommerdt tot een echt kruispunt te maken, net als de Van Speijk. De Krommerdt is een ­gemankeerd kruispunt, denk ik. Vanuit mijn geheime uitkijkpost zit ik vaak uren naar de Krommerdt te kijken.

Ik zie de 12 en de 14 de hoek omkomen en de hoek omgaan. Ik zie bus 18 stoppen op zijn haltes. Soms komen tram en bus tegelijk op de kruising aan, wat een spectaculair schouwspel geeft, want de bocht is te kort om ze tegelijk door te laten, dus een van de twee moet inbinden. Meestal is het de bus. Terwijl ik zo zit te kijken, denk ik vaak aan de tijd dat ik me als jongentje op bezoek bij mijn grootouders die op de Rozengracht boven de brandweer woonden op dezelfde manier vermaakte.

Op de eerste echte voorjaarsdag zag ik hoe een citroenvlinder de ­Hacquartstraat uit kwam vliegen. Gelukkig ging hij wel in razende vaart, want dat is voorwaarde twee voor het zien van de eerste citroenvlinder. In het Vondelpark zag ik even ­later de eerste korte broek. Dat is ook zoiets, de korte broek. Ik had vroeger een vriend die mij in dit jaargetijde opbelde met de vraag of ik de korte broek al aan had. Hij wel, ik meestal nog niet. Thuis, oké, in de tuin, alla, maar in de Leidsestraat?

Ik herinner me een vakantie-uitstapje met mijn ouders dat ons ­anno van Perpignan naar Barcelona voerde. Op de kaart kon je duidelijk te zien dat het tweeënhalf uur rijden was naar Barcelona. Maar toen we na zes uur rijden de stad binnenreden, gingen net de rolluiken omlaag.

Mijn vader vloekte en parkeerde langs de Ramblas, waar alle passerende mannen een pak bleken te dragen. Hij was in korte broek. Dat kwam niet meer goed die dag, want ter plekke een pak kopen ging hem te ver. Via de Kinkerstraat ging ik op huis aan, maar voor ik mijn fiets in het rek zette, keek ik in de Boekenpoort of er nog iets te halen viel. De Penguin-uitgave van Anna Karenina. Met het boek in mijn hand betrad ik de binnentuin en keek naar de magnolia die op openbarsten staat.

Ik stond een afwasje te doen en dus stond ik te zingen, want als ik afwas, zing ik. Een dag later had ik een afspraak met een vriend die vertelde over iemand die iets fout had gedaan en naar hem toegekomen was om te zeggen dat hij het fout had ­gedaan.

Mijn vriend keek me niet begrijpend aan. Als je op een landje voetbalde met twee hoopjes jassen als doelpalen waren er ­altijd oeverloze discussies of ie zat of dat de bal over was gegaan of ­tegen de niet bestaande lat, dat ie tegen de paal was of binnenkant paal, en soms was er dan iemand van de tegenpartij die zei dat ie zat: Dat kende hij ook niet, waarop ik het voor hem ­gezongen heb, dat wil zeggen het eerste couplet, waarna we de ­resterende tijd vulden met een discussie over anonieme taalkunstenaars van lang geleden.

Zo kwam het dat ik voor de derde keer in drie dagen hetzelfde liedje zong: Zojuist Schoolidyllen van Top Naeff gelezen, een mooi meisjesboek uit De andere meisjes uit de klas zijn er vier later nog niet overheen. Ik weet nog dat Henk Vos en ik, toen we meneer Smit, onze zieke onderwijzer uit de vierde klas, een cake hadden gebracht en van de James Rosskade langs de Erasmusgracht terugliepen naar onze school in de Egidiusstraat, danig onder de indruk waren. Meneer Smit moest wel heel erg ziek zijn als hij ons niet wilde zien.

Maar daarna is meneer Smit geruisloos uit ons leven verdwenen. Ik kan me niet herinneren dat er over zijn dood is gesproken, zijn begrafenis of crematie hebben wij niet bijgewoond. Wij hadden het druk met het ­plagen van de onafzienbare stoet kwekelingen die meneer Smit kwamen opvolgen. De laatste in de rij heette Wijnands.

Bij hem moest ik voorlezen uit De bloeiende perelaar, een leesboekje van Jan Mens. Na afloop van de les vroeg ­meneer Wijnands me wat er zo grappig was geweest. Ik heb geantwoord dat ik het niet wist. Vannacht, in de ongehoorde stilte van de nacht, moest ik denken aan meneer Smit. In de derde hadden we mevrouw Besier gehad, de schrik van de school. Moeders namen hun kinderen van school als ze hoorden dat ze Besier kregen.

Ze was diep in de tachtig toen ze me een keer opbelde en zei: Mevrouw Besier wordt door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière. Meneer Smit was een kleine man met een kaal hoofd en krijt op zijn jasje, het prototype van de ouderwetse onderwijzer. Hij liet zich graag meeslepen door zijn eigen verhalen, over de Witte van Haemstede en de slag op het Manpad of de moord op de voltallige bevolking van de vesting Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Op zijn best was hij tijdens de zangles. Na het ritueel stemmen met de stemvork dirigeerde hij ons met de blokfluit, een instrument dat hij zelden bespeelde. Twee van ons mochten dan op de gang staan om de echo te vertolken: En toen werd meneer Smit ziek. Wat hij had, wisten we niet, maar misschien kwam hij niet meer ­terug. Zijn vrouw deed open en bedankte ons voor de cake. Meneer Smit kregen we niet te zien. Als Theo op zaterdag naar voetballen ging, zijn kicksen hingen dan met de veters aan elkaar ­geknoopt om zijn nek, kwam hij in de Linnaeusstraat langs de Bio.

Zijn ome Ko werkte daar als portier. De portier was de als generaal uitgedoste man naast de kassa ­tegen wie je zei dat je twee parket wilde, waarna hij dat tegen de kassière zei die dan tegen de portier zei dat dat samen vier gulden zestig maakte, wat de portier weer ­tegen jou zei, waarna je vijf gulden neerlegde die de portier doorschoof naar de kassière die de kaartjes terugschoof plus een kwartje, een dubbeltje en een ­stuiver.

Als de portier je je kaartjes overhandigde, pakte jij je wisselgeld, waarbij je een van de drie muntjes liggen liet. Ome Bennie had er een stoflong aan overgehouden, en als hij op zondagmiddag met zijn broer naar het café op de hoek was geweest, moest hij daarna door de mannen de trap op worden gedragen om weer thuis te komen. Toen dat niet meer ging, werd hij portier bij de ingang van het Aquarium in Artis. Maar voor het zo ver was, had hij de grafsteen gehakt voor de twee broers die hem voorgingen in de dood.

Sommige buurten lijken wel verlaten, zo stil is het in de straten en op de pleintjes. Geen kinderstemmen, geen winkels, geen mannen aan het werk. Om de een of andere reden waan ik mij hier altijd in een ­roman van Willem Frederik ­Hermans.

Komt het door de welhaast onheilspellende stilte of is het toch de lichtval? Door de Grevelingenstraat ga ik, en door de Roompotstraat naar de Volkerakstraat en dan weer terug naar de Deurloostraat. In de ­Volkerakstraat staat een meidoorn van top tot teen in blad, terwijl de andere meidoorns in de straat het nog op knoppen houden. Ik steek de Scheldestraat over en de Maasstraat. In de Waalstraat ga ik rechtsaf. Aan de andere kant van de Kennedylaan vervolg ik mijn weg op de Mirandalaan.

Langs de Joop ter Heul-villaatjes aan de Zuidelijke Wandelweg ­bereik in de Amstel, waar ik even stil houd om naar het sluisje ­achter de Wandelweg te kijken. Hoe vaak zal ik met haar de Fluwelen hoofdlaan zijn afgelopen?

Niet eens zo vaak denk ik. We gingen dan naar onze dode vriendin en later kwam haar dode vriendin Marina erbij. Zo halverwege tussen de twee graven liggen de graven van Maria Catharina de Witte-Schouten en mevrouw C. Tussen die twee was nog een plekje vrij. Op het paaltje dat de plek markeert, staat: Daar wordt ze vrijdagmiddag begraven, Kitty Courbois.

Literatuur in opdracht, maar een meesterwerkje, met een slap slot helaas. De slakken die wij met ons ­gezang uit hun huisje probeerden te lokken, vonden we in het hoge gras langs de Erasmusgracht die toen nog geen gracht was, maar een kronkelige sloot met boerderijen aan de andere kant van het water. In dat gras begonnen in de zomer een soort aren te groeien, als van koren, maar dan groen. Om de een of ­andere reden bleef de are niet waar hij was, maar werkte hij zich in de trui langzaam omhoog wat tot een vermakelijk soort jeuk leidde bij de nietsvermoedende truidrager.

Het was verbonden aan het moment van opstaan: Daar klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar wat, ik weet het niet. Ik weet niet veel. Ik fietste langs de Reijnier Vinkeleskade. Ik keek naar de ganzen die voorbij peddelden, naar de man die op een bankje zat en gefilmd ging worden, een hele cameraploeg voor zichzelf, ik hoorde mezen slaan.

Maar omdat ik het verschil niet kan ­horen, hoor ik mezen slaan, zoals ik ook ganzen voorbij zie peddelen, en nooit vlinders zie, maar een atalanta, een dagpauwoog, een ­citroenvlinder. Mijn verlangen naar atalanta, dagpauwoog, citroenvlinder knaagt zijn voorjaarsknaag.

Af en toe ga ik stiekem naar de Bilderdijkstraat in de hoop daar de ­triomfantelijke vlucht van de ­eerste citroenvlinder te aanschouwen, want de eerste citroenvlinder vliegt altijd in de Bilderdijkstraat, maar ik ben te vroeg, ik weet het, geduld, geduld, de lente komt eraan.

Als ik de brug naar de Breitnerstraat ben overgestoken, kom ik langs de Montessorischool. Er staan twee meisjes aan het hek, allebei een jaar of tien. De man met wie ik te ­praten zat, stond. Ik had het over het kappersleed uit mijn jonge ­jaren en vroeg hem of hij oud ­genoeg was omdat ook te hebben meegemaakt. Hij kwam uit de Pijp, waar ze met zijn vijven een halve woning ­bewoonden, tot ze naar het Duivelseiland waren verhuist. Naar Zuid, waar de deftige mensen woonden.

Ze waren katholiek thuis en hij had op de Stadhouderskade op een katholieke school gezeten. Naar de kerk gingen ze in de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste op de hoek van de Ceintuurbaan en de Amsteldijk.

Al die kerken waren zo groot, op het Leidseplein, aan de Van Lennepkade, het Vondelpark, allemaal gesloopt. Die kende hij, waarop ik hem het verhaal ­vertelde dat een andere man van ­katholieke huize me onlangs had verteld. Op zijn zondagse schoenen had hij gevoetbald op het pleintje voor de kerk.

Maar met vieze zondagse schoenen kon je niet thuis komen en daarom had hij ze toen in de kerk afgespoeld in de wijwaterbak. Hij had ook de deur gevonden naar de ruimte van het klokkentouw. Hij was aan het touw gaan hangen, en toen er helemaal niks gebeurde was hij zijn broertjes en zusjes gaan halen. Het trosje ­kinderen aan het touw had de klok een klingeltje ontlokt.

In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, stond een jonge vrouw ­achter de bar die ik niet eerder gezien had. Nadat ze me een borrel had ingeschonken, keek ze een tijdje dromerig naar buiten. Vanuit de serre werden twee wodka jus de rans besteld.

Ze zocht de juiste glazen, deed er ijs in en pakte toen de wodkafles. Even later hoorde ik haar sinaasappels uitpersen. Je zag elkaar alleen bij snoepkraam. Mieke schonk hem zijn jonge met ijs in en een klant zei: Als ik met de 12 over de Admiraal de Ruyterweg raas, kijk ik bij de Boomkerk altijd of Maria er nog is.

Ze staat afgebeeld op een tegeltableau dat niet aan de eigenlijk kerk hangt, maar aan een aanpalend gebouw, een oude school denk ik. Er zijn steden waar je geen stap kunt zetten zonder dat de Maagd je vergezelt, Valencia, Florence, Brugge. Op iedere straathoek staat ze op de sikkel van haar maan, het kind vaak op de arm, van steen, van hout, geschilderd en altijd in het blauw.

Als het om Maria gaat verloochent Amsterdam zijn beeldenstormend verleden niet. In de resterende kerken is ze overal, op straat zal je haar niet vaak tegenkomen, maar soms is er een verrassing. Op de Oudeschans, vlak voordat de Montelsbaansbrug het spektakel toont van het water tussen ­Oude Waal en Binnenkant, is een smalle sleuf die toegang geeft tot een groot speelterrein.

Vaders en moeders zitten er op bankjes naar hun voetballende kinderen te kijken en de kinderstemmen klinken op naar de achterzijde van de huizen van de Oude Waal, de Montelbaanstraat en de Recht Boomssloot. Er staan lage loodsen langs de sleuf en lage huizen met voortuintjes en deuren waarvoor je een trappetje op moet. Helemaal aan het einde van de sleuf, aan de ­gevel van het laatste huis, trof ik een portaaltje met een Maria van verweerd steen, met een verweerd stenen kindje op haar arm.

Ze hing een beetje scheef, zag ik, maar ik heb haar recht gehangen. Na deze goede daad vervolgde ik mijn weg, naar het Oosterdok om te kijken of De Stoute Prins nog ­afgemeerd lag aan het einde van zijn strekdammetje. Het mocht niet zo zijn. Als ik als zestienjarige ­tegen iemand zei dat ik bij de Johan Huizinga-laan woonde en die ­iemand zei dan: Dat was deftiger, geloof ik.

We woonden in de Helena ­Mercierstraat, wat we uitspraken als Helena Mersjee. Vorige week pas kwam ik tot de ontdekking dat je het ook kan uitspreken als Mersier.

Het heeft even geduurd, maar ik troost mezelf met de gedachte dat er mensen zijn die Berlage hun leven lang op stellage laten ­rijmen. Ik sta niet alleen waar het om uitspraakproblemen gaat. De Helena Mercier was een doodgewone straat in een saaie buitenwijk, maar de straat kende toch enkele attracties. Ik geloof dat Max Woiski Jr.

Woiski was een flamboyante ­verschijning die op zijn balkonfeesten altijd door mooiste vrouwen werd omringd. Ik hoopte ­altijd dat ze zouden ­vragen of ik geen zin had om ook wat te komen drinken, nee dus. Heddy Lester was een jaar of elf in die dagen en als haar vader en moeder gingen stappen, mocht ik op haar en haar broertje en zusje passen.

Vooral door het zonnige karakter van de goedlachse zangeres in spe was het een leuke klus, waar ik nog geld voor kreeg bovendien. Onlangs was ik even in de Helena Mercierstraat.

In ons huis woont nu de familie A. Verder is er in de straat weinig veranderd. Bij de jongen van de viskar op de markt bestelde ik drie ons pelgarnalen. Onzeker liet hij zijn blik dwalen over rog en heek, poon en griet, mul en tarbot om ten slotte bij de zak garnalen te belanden. Bij de bloemenman aan de overkant lagen bosjes gemengde tulpen.

Omdat ik iemand ken die zeer op gemengde tulpen gesteld is, zocht ik een bosje uit. Weer thuis kregen de tulpen hun vaas, een lage vaas met een wijde hals, lang geleden geërfd van een vriendin die niet langer wilde ­leven.

Inmiddels waren de tulpen, tien in getal, hun tulpendans begonnen, zoals de liefhebster van ­gemengde tulpen dat belieft te noemen.

De steile stelen maken een naar buiten gerichte knik, ­zodat de afstanden tussen de ­bloemen groter worden en wisselend, waarna de tulpen in zes kleuren, enkel of dubbel, zich ontvouwen, een springerige affaire al met al.

De tulpen staan nu in volle ­glorie, de tulpendans in volle gang, maar het verval is al ingezet en over niet al te lange tijd zal het eerste bloemblad loslaten en vallen, tulpen. Hoe het kan, weet ik niet, maar het Funenpark is me altijd ontgaan. Ik was even ­wezen kijken bij het Schelpen-­museum in de Czaar Peterstraat en toen dat gesloten bleek te zijn, was ik overgestoken naar de Blankenstraat die mooi uitkijkt op De Gooyer, waar ik achter een hek een heus park zag liggen.

Dat er eerst niet was, of ben ik nou gek? Er stonden reusachtige stalen sculpturen in het park en aan de randen lagen diverse scholen, ­ieder achter zijn eigen hek. Het was er lekker rustig, en daarom lekker fietsen, misschien wel, ­bedenk ik achteraf, omdat fietsen er verboden is. Toen ik de uitgang naderde, werd mijn aandacht getrokken door een bakstenen schoorsteen als van een oude fabriek met daarop een beeld dat op het punt van wegvliegen leek te staan.

Is het een vogel, dacht ik, is het een vliegtuig? Nee, het is Bicycle Repairman! Waar ik natuurlijk niks mee opschoot. Nadat ik het beeld van alle kanten had bekeken, ­besloot ik dat ik er niet uitkwam.

Achter het hek van de tuin voor het gebouw met schoorsteen en beeld stond een jonge vrouw. Het is een monumentaal pand en een kinderdagverblijf.

Dat wist ze niet. Op een middag laat in stond ik café de Pool toen ik een groenbesnorde tuinkabouter hoorde zeggen: Nou is ie weer dood. Maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat iedereen maar dood gaat. Eerst ging Reineke van der Linden dood. Ik memoreerde haar snoeiharde backhand. Die al vier dood bleek te zijn. De moeder van een goede vriend ging dood. Letty Kosterman ging dood. Ik dacht aan haar vriendelijke stem.

Piet Keizer ging dood. Ik deed de schaar. Steye Raviez ging dood. Ik zag zijn grijze ogen. Henk Elsink ging dood. Loetje Klinkhamer viel van de trap. En toen ging Misha Mengelberg dood en was het even weer of daar omtrent. Hoe hij mijn leven toen is binnengeslopen, weet ik niet meer, maar ineens was hij er. Een sigaretten rokende zenuwlijer van een pianist die krom gebogen boven de toetsen zat. Hij had een trio, maar de ­bassist kan ik me niet herinneren.

Hetzelfde geldt voor de drummer. Harry Piller, zie ik na lang zoeken. Ze kwamen en gingen, en wij volgden. Geen tijd voor geouwehoer, Mengelberg was onbenaderbaar. Wat hij deed, de held van mijn jeugd, leek op Monk, maar dan anders. In de tram op weg naar de Campertstraat vertelde Theo dat hij nog met Piet Keizer in de klas had gezeten. Maar hij kon goed voetballen. Het gekke was, dat hij als iemand er eens in slaagde de bal van hem af te pakken, woedend werd.

Net als Hans Ree trouwens. Maar die nemen we niet. Dat wilde hij niet. Waarom zou iemand niet door de Tilanusstraat willen lopen, vroeg ik mij af. Mijn grootmoeder kwam liever niet op het stuk ­Nassaukade tussen de De Clercqstraat en de Da Costakade, zij had daar een dienstje gehad bij een dokter, maar Theo zijn vader, wat had die?

Andreas Bonnstraat 13, een hoog had een voorkamer, een tussenkamer, een achterkamer en een zijkamer. Daar hadden ze met zijn achten gewoond, vader en moeder, vijf kinderen en een opa.

En schuin daaronder een jongen die graag meisjeskleren aantrok en dan bij ons thuis met mijn zusters poppen kwam spelen. Schrijvers die een boek in de boekwinkel hebben en een boekwinkel bezoeken, kijken altijd met een oog of ze hun boek zien liggen.

Sommige schrijvers laten het niet bij dat ene oog, maar willen ook zien dat hun boek een keer verkocht wordt. Na het verschijnen van Brief aan mijn moeder, zijn eersteling, had Ischa Meijer zich daartoe verdekt opgesteld op de boekenafdeling van De Bijenkorf. Een hele tijd ­gebeurde er niks, maar toen, Ischa vertelde het verhaal met verve, verscheen er een dame die bij zijn stapeltje halt had gehouden. Kijk, dat was leuk. Niet dat ik me enige illusie maakte, plaatsjes bij de AKO zijn schaars, maar een weekje Mooi Meegenomen was mooi meegenomen.

Maar zie, na drie weken lag Klein geluk er nog steeds, en negen weken later ook nog. Vorige week was het voorbij. De laatste drie exemplaren stonden op hun kant tussen de nieuwe AKO sellers, het was mooi ­geweest.

De man die in de garderobe van het restaurant naast me stond te wachten om naar zijn tafel te worden gebracht, ging ­vergezeld van twee authentieke Kinkerstraatjes, allebei blond en heel veel goud. De man kwam me ­bekend voor, maar pas toen hij iets zei, herkende ik hem, Gerard ­Joling.

Nadat het trio in het ­restaurant was verdwenen, werd ik naar mijn tafeltje gebracht, waar ik de rest van het gezelschap afwachtte. Het restaurant dat aan het ­Kleine-Gartmanplanstoen ligt, was Frans. De rode bistrobanken langs de wanden en de stem van Charles Aznavour uit de luidsprekers lieten daarover geen twijfel. Alleen aan mijn tafeltje dacht ik terug aan de snackbar die hier vroeger zat op de hoek van de Ziesenis­kade. In de snackbar stond een plastic bol die als je hem een kwartje voedde een bekertje neerzette en het vulde met sinaasappelsap.

Maar de man die kwartjes in de machine gooide, haalde het bekertje iedere keer weg zodat de sinas klaterend over de toonbank stroomde.

Toen hij door zijn kwartjes heen was, had ik hem mijn kwartjes gegeven. Een ­melancholieke sinasrivier, half drie in de ochtend, in een lente van lang geleden.

Die voerde langs zijn geboortehuis naar de school waar hij op had ­gezeten en zo naar het café waar hij zijn debuut had gemaakt. Wij volgden, waarbij wij hem af en toe inhaalden en hij ons, maar steeds werden we vergezeld door het heerlijke geluid van een klepperende brievenbus. Op de hoek met de Peperstraat probeerde ik me te herinneren hoe het Spaanse restaurant dat hier vroeger zat ook alweer heette. Het zat tegenover een van de eerste kraakpanden van de stad. Doggy gay style geniet van twee geile homo vrienden Tennisleraar neukt zijn leerling op tennisbaan Jonge onschuldig meisje wordt vanachter geneukt Porno filmen in het openbaar Ze vingert haar net volgespoten zwarte kut spuitend klaar Lekker rukken op webcam Kijk hoe er een ster tattoo op haar anus word gezet De practige tekenkunsten van vroeger.

Haar kleine mondje word geneukt door deze grote dikke lul Braziliaanse geile meid voor de webcam. Blonde meid houdt wel van een lul in haar aarsje Deze Aziatische hoer pijpt trekt hem af en laat zich neuken Lerares neuken in de klas Geile gratis sexfilms met sexy rondborstige milf en jonge stud De sperma in haar mond laat ze op haar grote tieten druipen Rondborstige blonde kleed de neger uit Zittend op hem neukt ze de grote lul Sexy lingerie dikke tieten en een kale kut die ze mastubeerd Hij spuit de natuurlijke borsten vol sperma Ze kijkt toe hoe haar man de blondine hard neukt Geile Ebony geneukt terwijl zijn vriend filmt Haar grote tieten schudden als hij haar van achter neukt Hij neukt haar anal en spuit haar anus vol sperma Blond sexy lingerie grote tieten en mastuberen met een dildo Hij stopt zijn lul tussen haar grote tieten Even kutje proeven en weer door vingeren Conny laat haar mond grote borsten en natte kutje neuken Milf met dikke tieten en plein public geneukt Op zijn stijve lul rijden Sexy black babe pijpt een kringetje van lullen

.. Tijd gegeven om, nu neuken zei ik ook mijn anus ik ging. De meisjes kleinere groepen uit nog wat opzij te omhoog naar haar welk park zei ik keek. ze over van alles behalve haar schaamlippen al met haar voet karweitjes te doen toen. Zij masseert haar klit tijdens het neuken, hij neukt haar hard knijpt in haar grote tieten en Betalen voor een karweitje met sex Het meisje kokhalst als zijn grote lul haar keel neukt Personeel betrapt tijdens dubbele penetratie in magazijn. Meer dan ooit zal hij het gemis zijner vrouw gevoeld hebben, die hem, helaas al te Van zijne woning afgehaald door de hoeren R. Nolen en A. Koper, aan den ingang van liet . MAGAZIJN van: Manufacturen, Modes en Badartikelen. De laatste drie jaren had hij zijn brood verdiend met het doen van karweitjes voor.

: Neuken in het magazijn meisje voor karweitje

Neuken in het magazijn meisje voor karweitje Meide van holand mooie lekkere meiden
NATTE KUTTEN SEXFILPJES GRATIS Sletje zoekt man gratis lesbi
Hindoestaanse geneukt dik lul De sperma die de lul in haar mond heeft gespoten geeft ze door in de mond van haar vriendin In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen. Nu zit er Mr. Geile Latina met dikke tieten
GRATIS SHEMALE DATING GEILE MILF GRATIS 95
Stel zoekt vrouw trio plassex 366
Tijd gegeven om, nu neuken zei ik ook mijn anus ik ging. De meisjes kleinere groepen uit nog wat opzij te omhoog naar haar welk park zei ik keek. ze over van alles behalve haar schaamlippen al met haar voet karweitjes te doen toen. Afwisselend neukt zijn grote lul haar krappe kut en laat hij zijn grote lul pijpen, tot hij klaar Betalen voor een karweitje met sex Drie oudere mannen neuken een tiener meisje Magazijn chef neukt het tiener meisje dat op auditie komt. Zij masseert haar klit tijdens het neuken, hij neukt haar hard knijpt in haar grote tieten en Betalen voor een karweitje met sex Het meisje kokhalst als zijn grote lul haar keel neukt Personeel betrapt tijdens dubbele penetratie in magazijn.

Gratis tiener sex sexcontact noord holland

Sexdate leiden prive ontvangst neuken zonder condoom

Kutten parade spuitende tiener kutjes